Situering
Stand van zaken
Contact
Situering
In Vlaanderen staan tal van gebouwen (hoeves, fabrieksgebouwen, kloosters, historische panden, oude industrieën, …) te vervallen door het verlaten ervan door o.a. landbouwers, industrie, ... De gebouwen verliezen hun functie en bijgevolg worden ze niet meer onderhouden en vervallen ze. Dit betekent immers een permanente onderhoudskost. De gebouwen zijn vaak visuele blikvangers en fungeren als oriënteringspunt in het landschap.
Enerzijds zijn er de gebouwen met een grote cultuurhistorische waarde maar anderzijds situeert een groot deel van deze problematiek zich ook bij gebouwen die weinig intrinsieke waarde hebben of zelfs storend kunnen overkomen. Veel van de gebouwen zijn of waren zeer functioneel gebouwd en bieden vooral een te gebruiken volume zonder meer. Het is belangrijk deze gebouwen een, al dan niet nieuwe, duurzame bestemming te geven. De uitdaging voor herbestemming ligt in het durven innoveren. Een verantwoorde invulling met “vreemde” functies en activiteiten en doordachte wijzigingen of aanpassingen zijn onontbeerlijk om het voortbestaan ervan te garanderen. Naast het in stand houden van de betrokken gebouwen is er ook een tweede belangrijke reden waarom het toewijzen van nieuwe functies belangrijk is. Op die manier creëert men immers nieuwe aangepaste mogelijkheden voor een dynamische ontwikkeling van het platteland, zonder nieuwe ruimte te moeten innemen. In de landelijke context zouden binnen uit te werken richtlijnen tal van nieuwe inrichtingen, verbredingen van uitbating en dergelijke op gang kunnen gebracht worden (huisvesting, recreatie- en verblijfsmogelijkheden, nieuwe economische dragers,…).
Er zijn echter talrijke beperkingen die opduiken vanuit verschillende sectoren. De ligging volgens de zonering van het gewestplan, zonevreemdheid, al of niet geklasseerd zijn, de mogelijke aantasting van het landelijk karakter, ….. Belangrijk is ook de huidige rechtsonzekerheid bij de eigenaars van deze gebouwen . De overregulering en de ondoorzichtigheid bij de overheidsdiensten zijn voor hen belangrijke belemmeringen om nog iets valabels te "ondernemen". Privé-initiatieven zullen er pas komen wanneer de overheid (o.a. de gemeenten ) een leefbaar kader schept in een gezonde en dynamische PPS-context .
Het zal dus van alle betrokken diensten en sectoren de nodige openheid vergen om op een vernieuwende wijze hiermee om te gaan. De uitdaging is om leegstaande gebouwen in het landelijk gebied een aan de omgeving aangepaste nieuwe bestemming te geven binnen uit te werken richtlijnen.
terug naar boven
Stand van zaken
Op 29 augustus 2006 is de themagroep “Hergebruik van leegstaande gebouwen op het platteland” van start gegaan. Een belangrijke vertrekbasis voor de themagroep waren de resultaten van een lopend terreinonderzoek van de West-Vlaamse Intercommunale naar feitelijk hergebruik in de regio Roeselare-Tielt en de invloed ervan op de ruimtelijke kwaliteit.
Eveneens werd er over de grens gekeken naar het
hergebruik van leegstaande hoeves in Nederland.
Eind 2006 kwam er door regelmatig overleg een debatnota getiteld“
Discussie-elementen met betrekking tot herbruik van functieloze gebouwen op het platteland” tot stand, waar echter geen consensus over werd bereikt.
Op 29 november 2007 werd de themagroep nieuw leven ingeblazen met de resultaten van een enquête over leegstaande hoeves, gericht aan alle Vlaamse gemeenten, die verder werden meegenomen in de studie van het ILVO“Nieuwe functies op het platteland: de impact van functiewijzigingen”.
Op 24 september 2008 organiseerde WVI een symposium “Dynamiek en ruimtelijke kwaliteit op het platteland”. Daar werden o.a. de resultaten van de studie ‘Economische dynamiek en ruimtelijke kwaliteit op het platteland – onderzoek in regio Roeselare-Tielt’ voorgesteld.
De auteurs, Anna Verhoeve en Niek De Roo, concluderen in de studie dat er zich een verassend sterke en diverse niet-zone-eigen economische dynamiek op het platteland van de regio Roeselare-Tielt voordoet. Bij gebrek aan een beleidsstrategie op maat kan dit leiden tot een verdere verrommeling van het Vlaamse platteland.
Anna Verhoeve schreef over de studie ook
de paper “Schone schijn. Over hoe onzichtbare zonevreemde economische dynamiek op het platteland zichtbaar wordt en het beleid confronteert.” voor de plandag van 2009.
Minister van plattelandsbeleid Peeters gaf VLM in 2008 de opdracht om de conclusies van de studie van de WVI in Roeselare-Tielt te onderzoeken voor de rest van Vlaanderen. Een IPO-onderzoeksgroep met experten uit de academische wereld werd opgericht om de studie te begeleiden.
In 2009 startte het terreinwerk van de IPO-studie in 18 geselecteerde plattelandsgemeenten. De studie focust per gemeente op de aanwezigheid van niet-agrarische, niet-horeca activiteiten in de landelijke zones van het gewestplan en hun impact op de ruimtelijke kwaliteit.
De methodologie van de IPO-studie werd uitgeschreven door de West-Vlaamse Intercommunale in een bevattelijk
draaiboek. Aan de hand van dit draaiboek kan elk gemeentebestuur op eigen initiatief de situatie binnen haar gemeente inventariseren en evalueren qua ruimtelijke impact.
De resultaten van de IPO-studie werden in 2010 gebundeld in het rapport
"Nieuwe inzichten in de economische dynamiek op het Vlaamse platteland". Het rapport bevat informatie over het aantal, het type gebouw, de ouderdom, de soort activiteiten en de ruimtelijke impact van niet-zone-eigen economische activiteiten in het landelijk gebied van de 18 geselecteerde gemeenten. Omdat de resultaten de niet-zone-eigen dynamiek in Vlaanderen bevestigt, besliste de IPO-themagroep in april 2010 om de debatnota uit 2006 te hernemen en een
herwerkte versie goed te keuren.
Deze nota werd samen met de resultaten van de IPO-studie in september 2010 voorgelegd aan het Bestuurlijk Overleg van het IPO. Men besloot er om een beleidswerkgroep op te richten die verder gaat met het materiaal van de themagroep. In die beleidswerkgroep zullen naast de relevante Vlaamse ministers ook de gemeenten en provincies vertegenwoordigd zijn. De beleidswerkgroep wordt geleid door Peter Cabus, kabinetschef RO. Hij wil nadenken over een gepast antwoord op de vastgestelde niet-zone-eigen economische dynamiek, binnen of buiten het RO-instrumentarium.
In 2011 maakte het beleidsdomein RWO, in opdracht van minister Muyters, een eerste draftnota. Hierin worden zowel inhoudelijke mogelijkheden als het instrumentarium besproken. Deze nota, die ondertussen werd afgetoetst binnen de Vlaamse regering, zal in februari 2012 op het Bestuurlijk Overleg van het IPO besproken worden.
terug naar boven
Contact
Voorzitter themagroep
Niek De Roo
Coördinator WVI Westhoek
Streekhuis Esenkasteel
Woumenweg 100
8600 Diksmuide
T: ++32 (0)51 51 93 58
niek.deroo@west-vlaanderen.be
Themacoördinator themagroep
Ann-Sophie Debergh
Vlaamse Landmaatschappij – Afdeling Platteland
Gulden-Vlieslaan 72
1060 Brussel
T: ++32 (0)2 543 69 08
F: ++32 (0)2 543 73 95
Ann-sophie.Debergh@vlm.be
terug naar boven